DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 239
geestelijking der hartstochten in een ideale sfeer van schoonheid, — dat zet zich bij Couperus juist tot een tegendeel om. Hij vergroft alles pralerig langs den weg der zinnelijke ontroering. De woordopwinding, de ontzettende woordenstuip maakt zijn proza, zijn beschrijvend proza, vaak onleesbaar. Bij Couperus is volstrekt niet het vulcanische temperament een heeten gloed en óvergloed over de zinnen heen-rookend, als een rood vuur van gevoels-ontroeren; hij componeert zijn ,,hevigheden" met een verstandelijkheid van lagen rang. Dat zal ik u met stijlproeven verduidelijken. Als ge maar steeds in 't oog houdt dat ik alleen zóó schrijf over den fantastischen lyricus, den beschrijvenden visioenair, en niet over den romanschrijver en verhaler, want dien hoop ik naar mijn eigen bewondering recht te doen.
Het is Nietzsche geweest die in zijn Wille zur Macht geschreven heeft dat de groote kunst van zelve het vreeselijke in zich opneemt; dat de wezenlijk-groote stijl alle bevalligheid uitsluit. — Couperus' kunst, een-en-al bevalligheid, tot zelfs in het meest vreeselijke, zou door deze Nietzsche-uitspraak veroordeeld zijn, tenzij de Couperus'sche bevalligheid, toevalliglijk zélve, een vreeselijkheid bleek. Op averechtsche wijze vol-