236 STUDIËN
zonvla.morka.nen lekten nog telkens wel toe naar het allerdiepste der hemel hoogte —'laatste gele tongen van doovenden S׳Zoez'haard, gretig daar ginds starren opslokkende drake-tongen, uitrekkende begeertes naar zuiveren-oorsprong-onbereikbaarheid" — enz.
Zoo blaast en blies Couperus in zijn hoofdstuk Jahve en De zonen der zon, waar hij het God-zijn-zèlf wil beelden. — Ge hoort het ruischen en neerroeien van de bloedgewonde fantasten-vlerken uit het eerste bijbel-boek: Genesis, erin nageklap-wiekt. Wordt ge niet koud bij zulk een vormlooze verkrachting van het Verhevene, bij zulk een aviatorische lyriek? En is het niet een doodzonde, dat deze prachtige, soms heerlijk-innige en door fijne gevoels-zwenkingen en stijl-wendingen hoog-opgerichte kijker, zulk een brabbelende oer-taal causeert over de schepping en deze het publiek doet slikken als verheven fantasie? Dat is toch niet alleen de Haagsche meneer van de roomsoesjes, de fijne thee, de katjes, maar een, van intuïtieve eeuwenkennis doorschemerd fantast, die in het gebroken licht van zijn verbeelding, een eeuwen-verworden, goud-brandend hemel-tafereel van goden- en menschengroei, in den gloed zijner zinnen wil laten terugspiegelen! O, schennige tijd, die van Dante en Shakespeare geestdriftig durft gewagen en tegelijk heult met dit woordspelige gedrocht van een machteloos ziek verbeeldingswezen, een zich tot cosmisch