DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 235
eeuwigheid der trage stille tijden sluimering, en wel was er niets dan de vèrstrekkingen der lijd-eeuwige leegte, — eeuwigheid, overgoddelijk, en overgoddelijke ruimte, beiden geboren uit zich."
Ik wil eerlijk verklaren dat de z. g. naar-het-leven-gegeven eenvoudigste werkelijkheids-beschrijving, hooger, d. w. z. dichterlijker is dan deze schijn-ver heven, zinnelooze bombast, dat ongebonden woordgewring en gedraai, die klonterende taal, met geen enkel kernbegrip tot inhoud. In machtelooze gezwollenheid gaat deze soort van beschrijvende stijl pagina aan pagina voort, zonder rem, zonder schaamte voor bezoedeling van het wezenlijk verhevene.
״De ruimte overheen blies Adem en voor zich blies hij den vorm voort".... ,,Nu dacht Adem, dat nooit hij vorm meer denken en blazen zou.... en dat deze de eenige vorm zou zijn.... de verdere vormloosheid der eeuwige ruimte."
En dit:
״Eeuwigheid streek de Adem lang, langs ruimte zonder grenzen, tot zijn gedachten vorm dacht, éénen, en hij dien vorm blies in het leven, dat trilde onder zijn siddering. Adem, blazende, schiep, en toen hij schiep, vroeg Adem de eerste Vraag zich, en waarom hij geschapen had, blazende, vorm, en waarom hij had scheppen moeten," enz.
En dit geraaskal:
״Eeuwen-langzaam, in haar ver vlammende ■vuurzelf-loutering, verging de schitter-licht-ziel der zonnewereld, met der tanende eevmen-verschemering, en de ziedende