234 STUDIËN
het grof-klinkend gedruisch waarschuwen. Ik zou u wel willen toeroepen: kijk, kijk goed uit de oogen; zet de ooren wijd open.... verzwem niet mée in al die stroomerij van woorden; wees op uw hoede voor den lyrischen hansworst. Want hoe arm, hoe schandelijk sjofel, hoe voos opgesmukt is het fantastische franjefraai's van Couperus; hoe schel en onaanhoorbaar is dit cythersnaren-spel. Ik zal u laten zien hoe opgehitst door eigen oyer-scheppings-begeeren, hoe valsch en machteloos, zijn beschrijvend woord meestal is. Heb eenig geduld en ook op uw hoofd zal ik de woorden-stortbui van Couperus laten loskletteren. — O! hij wil wel ver grijpen en hoog, heel hoog, deze uiterst bescheiden werker, maar om goed te doen wat hij wil, zou hij de bijéén-versmolten eigenschappen van Dante en Shakespeare tegelijk moeten bezitten. Niet waar, hoe zoet, hoe lief-beminlijk en bescheiden is de greep van onzen aller-charmantsten Couperus, die allicht spoedig befuifd zal worden om zijn honderdste pengewrocht. — Hij schrijft b. v. een boek van God en Goden en wil daarin niets minder uitdrukken dan de wording van het oer-bestaan, het eerste scheppingsleven. — Dat doet onze duistere fantast zóó:
״Het was de sta&ge nacht, waarin sluimerden de stille eeuwen, — nog niet zijnde in den nacht, die al was; alleen waren de ruimte en de eeuwigheid: nacht was ruimte, en