DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 235
Na deze rinkelende vroolijkheidsbui ben ik stil geworden. Ik ben gaan lezen, rustig, met overgave, hunkerende naar het moois dat mij met hoorngeschal en trompetgejuich was toegezongen! En ik heb gewacht op ontroering, op streeling, op violen-zang en ziels-melodie. O, gestreeld, gewiegd, omzongen en toegefluisterd werd ik wel eens een enkelen keer. Maar met vaste zekerheid ervoer ik, dat in Couperus niets veranderd is. Hij bleef de man der eerste verzen en tegelijk van Eline Vere. Dat wil zeggen: als taai-virtuoos, meestal duldeloos-naar-uitwendigheids-mooi-stre-vende, leege, ziellooze woord-zwijmeiaar; als zielsdoorgronder in de richting van het werkelijkheidsleven, vaak zeldzaam innig en scherp-zichtig. Maar de taal, de door allerlei middelmatigheden verheerlijkte ,,taal," de „dichterlijke" taal, de fantastisch-zwoele taal van Couperus, diè is zijn snijdendst ongeluk. Hij weet leeken zinne-prikkelend te verblinden met waterzuilkristallen, waarop de zon alkleurig vuur uit-schittert, afstraalt. Hij weet door een typische opgeschroefdheid een verhaalgang met epische elementen te forceeren, die, schoon altijd op dezelfde groepeeringen en dezelfde visies uitdraaiend, toch immer een ophitsende werking en na-gloeiing hebben op den lezer of luisteraar. O, laat één althans tusschen al dat opjagende trompetgeschal, zijn hoofd koel houden en u voor