230 STUDIËN
Het is met Couperus al heel zonderling gegaan. Als dichter mislukte hij onmiddellijk. Waarom? Houdt dit vooral even vast:.... omdat hij in zijn verzen bleek, een man alléén levend voor de uit-wendig-zinlijke bekoring van het sensueel-stree-lende woord. In zijn vers ontbrak gevoels- en ontroerings-innerlijkheid. — Hij stapelde bont en zoet, wellustig en virtuoos woord op woord en betokkelde een immense lier. (Bij Couperus is alles ״immens." Hij kent mannen met „immense" handen en vrouwen met „immense" voeten.") — Maar het bleven woorden. Van vergeestelijking eener ontroering geen spoor; van dramatiseering evenmin. — Valsch haar, nagemaakte paarlen, geschilderde dauw.... zijn visioenaire inventaris. Verzen zonder ziel, verzen zonder klank en zangtrilling, zonder innerlijkheid, verzen als fladders van een boudoirbehang. Toen kwamen zijn eerste romans. Eline Vere, Noodlot, Extase! Wat een mooie voeler plots, wat een fijn wever van zielsgeheimen. Wat een teer lancet-operateur in de diepe inwendigheid van zekere menschen. Wrang en nerveus, maar soms prachtig van ontleding. Van de tachtigers sprak vooral Van Deyssel met waardeering. — Toen volgde Couperus' symbolische en mystische romanperiode. — Konings-romans. En Stille
kracht____ Lijnen, enz. Van Deyssel oordeelde
weer. Couperus was finaal weg met zijn veel-