DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 231
vuur. Maar welk een droef bedrog. Deze fantas-magorische hemel is volgeplakt met goud- en zilverpapier, met rood vlas en uitgeknipte confetti. De vogel Couperus vliegt zonder stuur-pennen door zijn hemelrijk van gaas, tulle en goudpapier. Hij klautert heel behendig, en hij jongleert en duikelt door zijn papieren hoepels. Maar het is, 't publiek-verbluffend kopje-óm-slaan van een clown, nooit de sprong-naar-het-verhevene van een wezenlijk dichter. Couperus' orientale parade van beelden en zinnen is een ópstapeling van ontzielde woorden. Die taal is zoo voos, zoo tam, zoo ergerlijk-valsch door-gloeid van effect-glanzingen. Ze heeft vaak zoo'n sjofele, verkaalde bevalligheid en 't is zoo'n drukke kermis-opschik rond de zonnekar van Jupiter. Kent ge niet de goedkoope pralerij van veel rose en goud en weggesleten fluweel? O! die beverige vervluchtiging van zijn trillend, ,,etherisch" trillend woord, hoeveel hoofden heeft ze niet in de war gestuurd. Het is met pijn dat dit alles gezegd en aangetoond zal worden. Het doet pijn, zooveel virtuoos bedrog te moeten ontmaskeren, zooveel schijngloed te moeten ontkleuren, vooral wanneer men zelf voor den romanschrijver Couperus, voor den échten, realistischen psycholoog, soms diepe bewondering heeft.