228 STUDIËN
wijle zóó onafscheidbaar wordt van wezen en werk, dat ge met uw persoons-genegenheid gelijkelijk uw liefde voor den arbeid meent uitgesproken te hebben. En daarin schuilt voor den critischen ontleder, als hij niet zeer op zijn hoede is, het groote gevaar. Want hoezeer ik ook houd van de schrijvers-persoonlijkheid, — ik houd nog oneindig méér van de waarheid. En deze dwingt me te zeggen, zoo onomwonden,zoo koel-krachtig moog'-lijk, dat Couperus, als verhaler en menschbeelder vaak buitengewoon begaafd, als taalkunstenaar, fantast, meestal een volbloed ras-knoeier is, een ontroerings-vervalscher, die zich in het beschrijvende en lyrisch-onstuimige deel van zijn arbeid alléén staande] houdt door een kunstmatige opwinderij in woord en zinsbeweging; door een goedkoop-pronkerige'zwierigheid en een sensueele taal-verhitting, in diepste wezen verlept, voos, en door en door onzuiver van verbeeldingswerking. Ik weet, de bonte goochelarijen van zijn fantasmen pakken argeloozen, leeken en door erotische en exotische! gloeiing in verrukking gebrachte.... nuchterlingen; maar voor den dieperen schouwer] is Couperus' exotisme meer een sibyllen-foefje. t]
Ik weet, hij'trilt, omkruifd van glans, als een goudspecht; ik weet, de gloeiende fonkelingen van zijn prismatische taal, de gebroken kleuren van zijn allegorieën, lijken omstraald van starren-