222 STUDIËN
Dat is al dadelijk de rustig-stijleerende Van Eeden, de man van De kleine Johannes én van veel vers-schoon. En ook dit is fijn-innig gezien:
״Al het fraaie er van, de schaduw-donkere grachtjes met de lichte ophaalbruggen daarin spiegelend, de aardige, grillig belichte straatjes met de roode baksteengevels, blauwgrijze stoepen, paaltjes en kettingen, het haventje met de oude teer- en touwwinkeltjes, de hooge sombere iepenboomen op de wallen — het heeft alles alleen de toevallige schoonheid van het verwelkte, het kan niet meer willen mooi zijn, zooals een jong, bloeiend wezen."
En zoo teekenend-zacht, rustig en innig van taal en opmerking:
״Een Hollandsche boer in zijn blauwe kiel, op een door de gouden avondzon beschenen weide, tusschen 't zwart-en-witte vee, met een achtergrond van blonde en vaalgroene duinen in fijne golvende contoeren — is een wonder van droomschoon, maar hij weet er zelf niets van, zoo min als of nog minder dan de koe naast hem, — en de makelaar en de dokter weten het alleen wanneer een droomer als Rembrandt of Ruijsdael het heeft getoond, en de krant vermeldt hoeveel duizende goud-guldens hun gedroom heeft opgeleverd. Maar in mijn land is de armste boerenjongen, die in den gulden avondschijn barvoets en zingend achter zijn zwarte geiten van de Piemonteesche heuvelen klautert, droomerig genoeg om een duidelijk besef te hebben van het groote schoonheidsconcert waarin hij een enkele toon is. In de steden is het natuurlijk overal even erg en droomers zijn al even zeldzaam onder de gefriseerde en opgepoetste offi-ciertjes en flaneurs van 't Toledo in Napels, als onder de welgedane, blond-geknevelde winkeliers- en koopmanszonen in de Kalverstraat te Amsterdam."