OVER FREDERIK VAN EEDEN 223
Ook deze descriptie is van een fijne mooiheid.
״Holland noem ik een droomerig landje, omdat zijn schoonheid is als die van een droom. Soms is het er guur, wild onherbergzaam, naargeestig — en op eenmaal, bij stil, luw weder, prijkt het gansche land met boomen, vlieten, stadjes en bewoners in een onbeschrijfelijk teedere pracht, alles verrijkend met een diepe geheimvolle beteekenis, die men niet nader kan verklaren of aanduiden, en die op het eigenaardige van alle droomen-schoon gelijkt. Men, moet mijn stadje van uit zee gezien hebben op een stillen, klaren Septemberavond, als de zon achter den klokketoren gaat schuilen, op den wolkeloozen, lichtend-groenachtig-blauwen hemel uitvloeiend in oranje- en goud, als weiden en boomschaduwen door eenzelfden blauwwazigen toover-tint tot wondere eenheid zijn verbonden, — als de melkers thuiskomen met zwaarwichtigen stap, de kobalt-blauwe emmers ter weerskant, — als al wat klinkt harmonisch is, van den uurslag uit den toren tot het ratelen van een huiswaarts keerende kar, en al wat leeft, van de grove Hollanders tot de logge koeien toe, in een zelfde vredige, dichterlijke avond-zaligheid schijnt op te gaan — om te begrijpen hoezeer dit alles gelijkt op die wonderbare illuzie onzer droomen"....
En over zijn droomen, hun aard en ontbloeiing schrijft Van Eeden met een clair-voyante kracht
Niemand zou, bij het hooren vertellen van zulk een droom, den vreeselijken of lieflijken indruk ervan kunnen begrijpen. Alleen was het mij wel duidelijk dat de zaligheids-droomen met liefde te maken hadden. In mijn jongste jaren was het een jongen, een vriend, dien ik in den droom ontmoette, en die mij door een enkel woord zonder veel zin