OVER FREDERIK VAN EEDEN 217
entrée was een groot succes, voor hem en voor de literatuur.
En toch nooit heeft hij zich door succes laten verlekkeren.
Hij had een snoep van een boek geschreven en toch wees hij den bewonderaars op de zure lucht van hun azijn en den stank van hun bakolie. Hij flikflooide de burgerij nooit. Nooit gaf hij pessimistische, kwaadsappige, wrang-afgunstige beschouwingen over menschen en dingen vóór, — nooit vervormden deze zich tot optimistische, verzoetelijkt-aanhankelijke, lievige, en vredig-inbindende, en met nieuwe liefde toeschietende beschouwingen over menschen en dingen, na succes. Dit schelmstuk passeerde hij zelfs in collega's. Integendeel, hij bleef zich zelf gelijk, en geloofde slechts in het zuiverste oordeel van één of twee in den lande; in één enkel groot wezen, machtiger van wijsheid dan hij, om hem koen en onverschrokken te berechtigen. Daar zou hij in ootmoed voor bukken.
Gij meent dit een ij del fabeltje; stakkers, die niet beseft dat ook roem walgen kan.
Verder is hij, de buitengewóón-geprezene, en de hevig-door-het-slijk-gesleurde, vooral in de eerste twintig jaar van zijn arbeid, ongevoelig gebleven voor allerlei lof en blaam. Aan de wanden van zijn werkkamer ziet ge geen verkleurde kranslinten slieren, en op zijn schouw