216 STUDIËN
sopraan met de alt had meegezongen. Als hij maar de huik naar den wind had kunnen hangen, en zijn staart naar den storm toe draaien. Als hij maar met klus en kluis was mee-verhuisd zonder landloopersneigingen en zwervers-guite-rijen. Maar zijn door en door subjectief wezen als denker, voeler, waarnemer en zelfstandig ont-leder kon zich niet saamknellen in kliek-dogma's of verwarmen aan reputaties-brevetteeringen van hooger hand. Hij lachte smakelijk om al die ge-wichtigdoende apengrimassen van zijn omgeving en als een echte spelbreker sprong hij met hak en laars op het glimmende speelgoed van heete roemzuchtigen. Hij kende geen kaste-getrouw-heid, hij miste den aanleg voor partijgangerschap. Hij gruwde van kliek-nalooperij, en van al die kunst-clowns in opzichtige hansoppen. En telkens als hij even ingeschakeld was, rukte hij zich, met een opstootje, weer los. De geestelijke woelwater in hem snakte naar andere lucht.... en die heeft altijd in Van Eeden geleefd. Zijn eerste boek geeft ons de getuigenis. Soms speelde hij beultje en bezondigde zich aan allerlei grove, revolutionaire malligheden, buiten zijn aard. Want de woedende, schimpende, hartstochtelijk-donkere en hatende ironie schiet niet öp uit Van Eeden's aard. Zijn ironie is fijn, speelsch, gracielijk van beweging, soms zwak en broos en soms ook boertig-burgerlijk en klein van wrevel. — Zijn