OVER FREDERIK VAN EEDEN 215
Zelfs de sluw zich op den achtergrond houdende kan zich al in op den voorgrond-schuiven van anderen, aan de grootste ijdeltuiterij bezondigen. Want in het schijnbaar-bescheiden, zich zelf weghoudende decreteeren: die en die is 't grootst, 't best, leeft al een geweldige eigendunkelijkheid en zelfwaan. — Maar dat is de Meiwijn der verlakte ij delheid; de zoete beschuit-met-muisjes na den bruidstooi van anderen. O! Salomo!
Neen, Van Eeden is geen spier ij deler dan andere schrijvers. Hij is alleen vaak slachtoffer van zijn geslotenheid en dan weer van zijn gulle overgave en uitstorting. Zijn dubbeltongigheid is het best te vinden door iemand die zelf met twee monden kakelt. Men kan uit zijn uitingen met wellust een z. g. stuitende reeks ijdeltuiterijen bij elkaar lezen, met kwaden, — maar een prachtige casuis-tiek daar tegen in, met onpartijdigen en goeden wil. — Hij was soms een zacht meester die alevel scherp-invretende zalf verkocht. Hij bestudeerde het mom zijner beoordeelaars, en die kwamen dan vaak van een koude markt thuis. Dat geviel niet. Van Eeden had zich zoetjes moeten koesteren in kliekgenegenheid en onderlinge roemfokking, en zijn deugden zouden opgetooid zijn als de beste.... Als zijn diepere natuur daarbij maar vrede had kunnen vinden. — Als hij maar gebreken van vriendjes had verzwegen en vermoffeld; als de alt maar immer met de sopraan, en de