214 STUDIËN
zijn bijtend-ironisch satyrschap, dat hij zijn eigen wezen in verrukking aan hem opsleept, en zich zelf mèt Heine de eerste stijl- en taalkunstenaars van Duitschland noemt.
Goethe in de gracht en Schiller naar den rommelzolder. O Salomo, wat kijkt ge medelijdend naar Van Eeden om. Is hij ijdeler dan Schopenhauer die van zich zelf zegt, dat zijn philosophie, binnen de grenzen van het menschelijk kenvermogen, de eenige en absolute oplossing is van het wereldraadsel, en dat daarbuiten te willen gaan, gelijk staat met den dampkring te willen uitvliegen. (Brief aan Frauenstädt.)
O Salomo!
Is hij ijdeler dan Goethe die zich zonder schroom met Shakespeare vergelijkt en zijn eigen vorstelijkheid zoo heviglijk superieur voelt dat hij zegt:
* ״Ja es war mir selber so wohl in meiner Haut und ich fülhte mich selber so vornehm, dasz, wenn man mich zum Fürsten gemacht hätte, ich es nicht eben sonderlich merkwürdig gefunden haben würde."
Is hij, Van Eeden, ijdeler dan alle menschen van begaafdheid, die naar Salomo's recept in alles ten slotte de ijdelheid dienen? Kennen we niet allen Multatuli die schreef: ,,arme levenslange martelaar Cervantes, gij de bijna eenige schrijver voor wien ik bijna eerbied heb!"
Wat een onmeetbare ijdelheid in die twee ״bijna's!"