OVER FREDERIK VAN EEDEN 211
ijdelheidje naar hun individueele geaardheid. Die zoo, die zus. Ge merkt het dra in de manier waarop zij iemand door den mosterd sleuren, wat quibussen ze zélf zijn. Er zouden bouquetten van verzameld kunnen worden; heele corbeille's, huizen vol. En het zou, bij critisch onderzoek blijken, dat de ,,ingewikkelde," „dubbelhartige," met „vele tongen pratende" Van Eeden, misschien nog een der openhartigste onder al die ijdelheids-looze menschen is.
Wie hoorde niet van de bijna caricaturale ij delheid van Honoré de Balzac; dien literairen builtrog? Goed, zult ge zeggen, maar dat was dan ook een reus! Zekerlijk, maar een allerijdelste reus, die op zijn wandelstok inscripties liet krassen: ik ben de Napoleon der literatuur.
Ook rabijnen zijn wel veefokkers geweest; mag daarom een veehoeder nooit meer een steekhoed dragen? Zelfs een vegetariër likkebaart bij het zien van frou-frou's met slagroom. O! Salomo, o Salomo! breng bezinning bij!
Een klein vraagje.
Als Van Eeden inderdaad zoo'n gering-mensche-lijk, voos, slecht, leeg, valsch-emotioneel wezen is als gij wilt doen uitkomen, waarom wordt gij heeren dan toch zoo jeukerig-woelig en geprikkeld en vloo-stekelig geplaagd door zijn „ijdelheid?" Mij dunkt, van zoo'n voos werkertje moest u