210 STUDIËN
al wat zich aan schrijvers, critici, groote en kleine blagen om ons heen beweegt in de wemelende kunstwereld van heden?
Daar is de groote Van Deyssel. Neen, ijdel was hij nooit, zelfs niet toen hij schreef: Wat Shakespeare, wat Goethe, wat Homerus.... Hier, Zola, dat is je waar genie. — Neen, ijdelheid mag 't niet heeten, die oolijke in-den-hoek-duwing van 'n scharminkeltje als Shakespeare, 'n livrei-groom als Goethe, 'n kapoenboutje als Homerus. — Die drie mannekes stop je zóó maar in je beugeltasch en je rent verder, 't Was meer een jongensachtige hoogmoedige geestdriftigheid.... Zoo althans pruttelt vergoelijkend de spraakmakende gemeente. — De oranjebloesem der vurige jeugd-geestdriftigheid. Bekijk alleen haar kleur-schittering en denk niet verder in zure spijtigheid wat waan is. O! die charmante, prach-tig-onstuimige Van Deyssel, die met roofridders-gracie een wijntappersdochter te woord staat als ware zij een hertogin van Lancaster, hoeveel ondoorzichtiger is zijn Caesar's-ijdelheid dan bij Van Eeden. O koning Salomo, zelfs üw verzuchting was een.... ijdelheid.
Dat droeve fabeltje van Van Eeden's bizondere mensch- en auteursijdelheid, het is voortbrengsel van zooveel trieste, malle vertooningen. Al onze auteurs, mannen als vrouwen, hebben een snaaksch