OVER FREDERIK VAN EEDEN 207
en men hiette hem gemeenlijk Salomo. — Niet te verwarren met een of ander prof. Dr. Salomo, groot in wijsgeerige boekenkennis, maar simpel: Salomo, groot in ongeleerderige levenswijsheid. Hij riep nooit: mijn wijsgeerige dadels zijn driemaal mooier dan die van Hassan, maar hij liet de zoete vrucht der wijsheid rond gaan, zonder opciering van palmbladen en versch groen. Deze droeve doorluchtigheid Salomo, was echter niet alleen een groot menschen,- maar vooral een on-misvormd zélf kenner. Want eens verzuchtte hij in loome melancholie, oprechtelijk deze woorden van levensverzadiging: O! ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.
Dat wijze woord, van den hebreeuwschen, ouden peinzer, hoe hei-klaar moest het uitblinken op de hoofden van alle menschen, vóór zij de ijdelheden van andere levens behekelen. En zoo die donkere maaier, de Dood, niet bestond, hoe ergerlijk-ijdeler zouden we dan wel zijn.
Van Eeden is een ijdel mensch,.... neen, luistert u, begrijpt u wel goed,.... hij is een zéér ijdel mensch, een gruwelijk ijdel mensch; zóó ijdel, zóó ergerlijk ijdel.... dat.... dat hij Satan tegen treedt in zelfgevoel. — Van Eeden, snapt ge wel goed.... Van Eeden is van een hitsige ijdelheid die zich telkens verdoken houdt in weeë bescheidenheid. Hangt hem te bengelen aan een