OVER FREDERIK VAN EEDEN 205
subjectieve, over-trotsche fierheid niet kan oplossen in den drang van het groote, algemeene. Maar moeten daarom alleen zijn mislukkingen, zijn gebreken, ongelukkige werken en minderwaardige voortbrengselen worden uitgestald alsof er niets anders van hem bestaat? Hij heeft verzen geschreven, zoo zoet van taal, zoo rijk van rhythmus, zoo blank van licht en zoo prachtig-gelui-dend van klankzingend vermogen, als de beste van de tachtigers.
Hij gaf verzen van fijn-ruiselende, zacht-door-zongen eenzaamheid en verzen van stil-bemij-merd leven; hij gaf dichtsels over het rokige land, waar de grasgeur versch nog door heen zoette. Hij gaf korte minneliedjes, wieglend en week, en zangetjes met een smeltend morendo als van wegtwinkelende harpklanken, een ziels-streeling gelijk. Zijn melodietjes, ballade-achtig doorschemerd van legendarische gebeurtenisjes, zongen zich uit in geheimvol geruisel, en kermden soms zóó diep en zóó ziels-opgejaagd van droefnis en smart. En al zijn hart-gesmeek, zoo door-schreid en zoo zwaar omhangen van een vreemden weedom. Weedom, dien ge nooit vergeet. Hij dichtte sprookjes in zilverende verhaal-sfeer, zoo broos van woord en gedempte flonkeringen, zoo glansbloemig doorweven van zacht gekleur, dat zij altijd in de herinnering blijven. Dat transparant-diepe en klaar-zonnige van vele Van