204 STUDIËN
Holland een werk heeft geschonken, een der schoonste, door een achttienjarig tijdvak der jongere letteren voortgebracht, deze man moet het zich nu laten welgevallen dat hij als een schooljongen in een krant wordt afgestraft door 'n anonymus die hem ter verantwoording roept, en door een bende beoordeel-menschen in bladen, blaadjes en tijdschriften wordt voorgesteld als een ijdele sukkel, alleen zich zelf en zijn roem ziend, als een 1) hoogmoedig gekrenkte, kampend tegen zijn eigen tureluurschen waan.
De dichter van verrukkelijke mijmeringen, van zoet-zangerige stemmingen, van pastorale liedjes, van soms prachtige brokjes beeldend proza; de man van veel fijnzinnige ironie en veel geest, van veel fantasmen en vaak wonderlijk-rijke visioenen, de man van enorme belezenheid en kennis wordt voorbijgezien als niet bestaand. Dat is het diep-smartelijke, het weerzinwekkende en laaghartige in al deze grove, schimpende miskenning. Hij, de hooge droomer, geeft idealen over menschengeluk, waarin ik persoonlijk vaak een dwaas afdwalen zie van iemand die zich met halsstarrige krasheid verzet tegen een geestelijk gezag van hoogere levensorde en objectiviteits-macht dan de zijne; van iemand die zich door een
1 J Van Nouhuys alleen was weer de eenige criticus met de grootste objectiviteit jegens Van Eeden. Een karakter!