202 STUDIËN
scheur-zieke en meppende handen, en hijgen de beultjes een oogenblik uit van hun woest-critischen kozakken-dans.
Onlangs las ik in een groot, natuurlijk veelst-gelezen dagblad, dat meneer Van Eeden nog zijn eerste gave boekje de wereld moest insturen. Snorkend Holland! Zie, dat wordt publiek voorgezet, en publiek slikt, slikt maar. De man die 't schreef, 'n anonymus, maar, o goejegrut! die wel tien maal zijn naam dorst uitspellen, — je moet niet denken dat hij bang was, — die anonymus dan met 't geschroeide leeuwenhart, heeft voor zich zelf wellicht al een stallesje onder de onsterfelijken besproken.... Maar zelfs dan is het bombarie uit zoo'n heilig mondwerk. Wat voor leut schaft 't nu zoo'n journalistieken meneer, in 'n slordig-artistieke bui, de heele Van Eedenfiguur aan de minachting van een zeker publiek prijs te geven, en over te leveren aan het gekakel van vechtlustige en amok-makende broekjes? Is 't niet 'n schande dat 't kan, dat 't mag?
Moet Van Eeden nog zijn eerste gaaf boekje publiceeren? En zijn Kleine Johannes dan, waar heel Nederland in opging? Door Scharten-Antink boven Van Deyssel's De kleine Republiek gesteld, door Kloos en talloozen buitengewoon geprezen, en waarvan onlangs nog de vervolg-deelen — geheel tegen mijn gevoelen in — door Verwey en Alex Gutteling om veel schoons en meesterlijks