198 STUDIËN
lijnrecht tegenover zijn sociale, en vele zijner wijsgeerige en literaire beschouwingen. Voor mij zelf heb ik omzichtig maar toch standvastig den begrensden aard van zijn scheppings-vermogen naar zijn aanleg afgebakend. Iedermaal werd tegen dien averechtsch voorgestelden scheppings-aard dwaas opgestooten. Met veel mildigheid in begeer en eischt men van hem dramatisch -objectieve mensch-uitbeeldingen. Uitzinnigheid, ook in Van Eeden zelf, als hij 't van zijn natuur verlangt. Het objectief dramatiseerend vermogen van Van Eeden is zeer gering, in zijn romans, versdrama's, tooneelspelen. — Hij kan alleen, buiten lyrische ontroering, heel geestig typeeren, andere, hem vreemde, meestal onsympathieke ikheden. Verder is zijn werk bijna immer lyrische zelf-analyse of ontleding van zeer nauw verwante zielen en geesten, fantasten en visioenairs. Maar datzelfde dramatisch objectiveervermogen is afwezig bij Vondel, Shelley, Byron, en zelfs bij den schijnbaar zoo objectieven Goethe; is althans uiterst gering als men het vergelijkt met de karakter- en menschscheppende macht van Balzac en Shakespeare.
Er is nog altijd het essentieel verschilskenmerk tusschen lyrische naturen, die immer aan hun subjectiviteit gekluisterd, ook dóór hun subjectieve woordkunst willen heenbreken naar het objectief-