OVER FREDERIK VAN EEDEN 193
liggen voor 't grijpen. — Maar minstens een millioen lezers, oordeelt Goethe, of anders verschijnen met druk vertier, de halfblanks-critici en gebruiken voor voetveeg ieder die niet méé-kliekt en niet bij hen hoort.
Wat zou 't er met Frederik van Eeden raar uitzien, als hij werd overgelaten aan het grootste deel zijner landgenooten-critici, die hem sarren, kwellen, omversmakken, platknuppelen, uitspuwen, weglachen, of een enkel keer eens, gluiperig kleinhoudend prijzen, om hem daarna weer schalksch-goeiig te verkruimen tot 'n zuur papje leeg en voos rneenings-menschje. Neen, ik ken geen schrijver, —tenzij nu en dan Couperus, — smadelijker bejegend, brutaler aangeblaft, door al soorten van prullen, opgeblazenen, waanwijze snoeshanen, wankele beginners, dan Van Eeden. Bleekneuzen kwamen bibberend het slagzwaard van Van Deyssel aansjorren. Paladijnen met hazenharten volgden den stoet, en huurlingen droegen het gestolen kleed van den meester. Er werd zelfs door knappe en begaafde collega's tegen zijn oprechtste verootmoedigingen inge-vloekt, alsof hij nooit anders dan valsche bravigheid j es had uitgebroed en verzoetelijkte ingetogenheid gepreekt. — Een laf spel van schijn-moedigen en door kleine pathos gekriebelde vunze zieltjes, honderd maal weerzinwekkender dan
Studiën. 13