194 STUDIËN
de polemische rumoerigheden van Van Eeden zelf.
Ik ben een der eersten die toegeef dat Van Eeden literair-critisch, domme, dwaze dingen gedaan heeft. — Maar vaak in prachtige, onverschrokken eerlijkheid en met koen reinigings-verlangen. Toch dom? Zeker, want wie doet er geen domme en dw&ze dingen in zijn leven, dus ook in zijn critiek? Hoonde de prachtige dichter Adama van Scheltema niet Vincent van Gogh, Shelley? Beknibbelde hij niet Breitner's roem en sloeg hij niet wat al te woest naar Van Looy, Van Deyssel, Kloos, Gorter, mevrouw Holst? En deed hij niet een beetje erg dwaas door Heyermans ,,'n groven na-neef" van Multatuli te noemen; Heyermans, ondanks al zijn gebreken, een der beteekenendste werkers van dezen tijd? — Was 't bij Kloos zelf niet zoo hei, zoo fij ? Overstortte Tolstoï niet Shakespeare met smaad en sloeg hij niet wat al te vermetel zijn beukende handen uit naar vele groote geesten van verleden en heden, schennend en zonder erbarmen? — Is de Van Eeden-verkettering dus verontschuldigd door den aard zijner eigene aanvallen, tegensprekingen en loswoelingen van klieken? Laat ik het dan maar van het hart gooien: er is jegens Van Eeden's literair-critisch, en tegen zijn, zich werend of aanvallend woord, een schandelijk-doorgevoerd vermink-systeem toegepast. — Polemiek mag het niet heeten; wél een