OVER FREDERIK VAN EEDEN 193
Zoo is in de muziek Brahms gehoond, en Wagner wel 't allerergst, door grove muzikantenbreinen, naijverige stakkers; óók wel door begaafde, alevel lichtelijk afgunstige collega's; door een wereld kortom van met mode-oordeel her-en-der-gesleurde, onder den voet geduikelde en weer gekneusd opstrompelende kakelaars, ploegend met andermans kalf, — altijd maar weer nieuwe starren ontdekkend, in de hoop, listiglijk verborgen gehouden, zélf ééns bij den staart gerekend te zullen worden. — Levenszat en lastig waren de menschen immer, en vooral dat pracht-exemplaar: criticus.... smaak-ther-mometers met geleend of geganneft kwik, niet alleen nu, maar in alle perioden, van het steentijdperk af tot den Chantecler-zondvloed van heden.
Zelfs Goethe verhaalt van deze contramine. — Over Schiller's beteekenis keuvelende zegt hij: ,,Ja ich wüste kaum einen einzigen Mann von Bedeutung zu nennen, dem ich durchaus recht gewesen wäre. Gleich an meinem Werther tadelten sie so viel, dass, wenn ich jede gescholtene Stelle hätte tilgen wollen, von dem ganzen Buch keine Zeile geblieben wäre." Het wemelt in Goethe's gesprekken over Schiller, den „wünder-licher grosser Mensch." En als men pas, ter voorbereiding eener synthetische studie over Goethe's wezen, den geheelen Eckermann geslikt heeft,