190 STUDIËN
deeld, vermaakte zich een bende grove spotters, carnavalgasten in de critiek, zot-toegetakelde momsnuiten, — met de mooiste en innigste uitingen van zijn ziel, werd hij door allerlei slag van onbenullige krantenmenschen gehoond, gekweld, beleedigd, geridiculiseerd, voor een potsenmaker, charlatan en mystificateur uitgescholden en uitgejouwd. En niet alleen is hij voor het mafje gehouden door beuzelachtige phraseurs en looze mooipraters, maar ook door collega's die hij wel honderd maal kon maken en breken.
De gebochelde schildpadjes der kleine critiek schommelden met hun mank-uitgebogen broekbeentjes vóór, begluurden met hun, van ontroering-vochtige oogjes de hooge Toorop-gestalte; spoten wat venijnig gepraat uit, rekten 't stakke-rige, losgewrongen, gewervelde reptielen-halsje naar hem óp.... en beweerden dat ze hem, zoo niet konden óver-, dan toch beter dan wie ook konden dóórzien, en dat hij weinig zaaks was. Maar wentel deze traag-logge gedrochtjes op hun rugpantser, dan blazen ze van woede en onmacht, zoeken ze met hun scharrelende pooten een loopbodem in de lucht; kunnen ze zich niet meer keeren. Wat, in vrome bezinning van oordeel, vooral door Jan Veth, Viola, Van Deyssel, Marius geschreven was, bestond voor deze kreupele, half verbeende aardkruipers niet meer, ook na dat ze weer op ,,de poot" geholpen waren.