186 STUDIËN
door omgeving en tijdleven hem ingedragen, ooit het voor hem éénig zuiver uitdrukkingsmiddel, — zijn eigen taal, — verwisselen met, stellig-ver-rukkelijke, maar door een gemeenschap ten doode opgeschreven uitdrukkingsmiddelen van een vroégere gemeenschap; uitdrukkingsmiddelen en woordvormingen, die hij, na jaren groei in zijn eigen taal, na jaren innerlijk jeugdleven, alweer in zijn eigen taal moet hebben aangeleerd, met de vermogens, gekweekt door en gebaseerd op.... alweer, de leefkrachtigheid van zijn éigen spraak.
Wat hij niet wil dat gebeurt geschiedt juist. We schenken geen aandacht meer aan het persoonlijk leven van den dichter, maar aan de kunstig-vernuftige toepassing van een kostbare antiquiteit in expressies en beeldvormingen.