182 STUDIËN
eeuwsch-naieven, die in hun gothieken gods-zwijmel van geen ander aardsch gevoels- of ge-dachtenleven dan van wat er ademde om hen heen, eenig scheem'rig besef hadden.
Ik kan mij levendig voorstellen, liefde voor een zekere hoeveelheid oude expressies, die zeer teekenend en zeer diep, vooral het muzikale beeld van zekere dingen bewaard en behouden hebben. Maar deze genegenheid voor eigen gebruik van oude, prachtig-kernige of klank-schoone woorden bepaalt zich slechts tot een groepje. Ik vind b. v. den klank in het woord ,,couleuren" veel mooier dan in ons verbeschaafd ,,kleuren." De zoete val van de ,,oe" naar de „eu" is gansche-lijk verloren in onze veralgemeende spraak. En zoo vind ik bijna alles veel mooier van de oude taal. Maar daarom mag noch kan ik er in schrijven, al zou ik mij haar wezen zoo eigen hebben gemaakt als de Ouden zeiven. Een koesteren van enkele expressies, voor de statigheid, voller klank, fluweeler glanzen, kan er mee door. Men doorleeft het zelfs met overrompelende bekoring in de gewesten-taal der goede Vlamingen. Maar dichten en componeeren, geheel in den ouden stijl, dat wordt kunstmatigheid, moet' afdrijven op uitwendige mooidoenerij, — hoe fijntjes ook beheerscht door rappe techniek, — op ontroerings-en schoonheids-vervalsching. Als Van den Oever b. v. dicht: