182 STUDIËN
in essence. Dat, in zijn schoonheid, in zijn geaffecteerdheid, in zijn soms dwaze gekunsteldheid. Dat is Hooft, de fijne, de zinnelijke en de stijve guit. Waarom hebben we nu een man als Hooft, heelemaal gelijk hij was, vóór ons in zijn werk? Wijl hij zich openbaarde in zijn taal, zijn stijl, zijn innigste eigenheid. In dat werk klinkt het leven van zijn tijd dóór. De dagen van het roemrijk Muiderslot. Stellen wij nu eens, dat Hooft in den alouden twaalfde- of dertiende-eeuwschen stijl was gaan dichten, in den primitieven oud-Bra-bantschen verhaaltrant van de mondeling-over-gebrachte en bij-gecierde volks-literatuur, borstelig en rudimentair, de expressies beklemd tusschen onbeschaafdheid en bigotterie. Zouden we ooij; Hooft hebben leeren kennen? Hooft, in zijn fijn-ketsend, pareerend, schermkunstig floret-hanteeren? In zijn deftig, weelderig, trotsch, hooghartig grootheerschap? Dat nu is het angstige en bedenkelijke in het werk van Van den Oever, en wordt smartelijker te weten, naarmate hij méér persoonlijk talent zou kunnen doen blijken.
Van den Oever gebruikt het oud-Nederlandsch. Is hij midden in het tijdperk der renaissance opgegroeid? Neen. Heeft hij er in geleefd? Neen. Is zijn wezen door deze taal organisch bemachtigd, en gelijk door zijn omgeving organisch gevormd en tot léven gemaakt? Neen. Is hij middeneeuwer? Neen. Is hij mysticus als Ruysbroeck? Neen.