MODERNE ZIEL EN OUD INSTRUMENT 179
toch nooit grof-aanhalig en wulpsch. Zijn rhyth-me is Hooft, zijn melodie is Hooft. De Drost en de minnedichter slingeren zich dooréén in 't voorname en galant-losse, het hooghartige en teedre. De Drost in hem stelt deftiglijk zijn perken op; de minnaar zwaait ze allerbevalligst omver. Deze amoureuze en geleerde snoept fijntjes aan de verfijning en distinctie, maar bedrinkt zich soms tusschen het gemeen, aan de felle kracht hunner expressies en de wilde kleurigheid hunner carnavals.
Dat alles in hem is echt, in een tijd van bloei en levens-uitbreiding, in een tijd dat het classicisme herleeft, en tusschen over-weelderigheid, geleerdheid, welvaart en een economische stuwing van wervelende krachten, het vernuft zich aan-spitst en de geest zich zat drinkt aan wereldkennis. Hooft had het warme, blakerende blauw van den Italiaanschen hemel gezien en de Griek-sche wijn had een roes van levensliefde in zijn dichterhoofd ontstoken. Hooft was de geestelijke epicurist van zijn tijd, de zoete, bedachtzame beschavings-zwelger. Hooft is dood. Vergeet niet, dat wij nu niets meer van hem hebben dan het leven in zijn rhythme, in den klank van zijn rijm, de melodie van zijn vers. Dat is ons gebleven van héél zijn levende ziel. Dat is hij. Dat is nu zijn innerlijkheid en zijn uitwendigheid. De mensch