178 STUDIËN
deerns, snoept hij kus en woord wèg van de geblufte klompendanseressen. Zie, zoo'n Brede-roo, hij is heelemaal in zijn tijd verdreven. Zijn verfijning en zijn volksboert, zijn humor en zijn verdronken verdriet, hoe gij hem ook wendt, immer botst ge tegen het heete, groote, struische lijf van dezen heerlijk-ménschelijken zanger öp. Al had hij nimmer een letter van zijn tijdgenooten of voorgangers gelezen, hij zou zich toch zóó geuit en zóó gegeven hebben.1) Precies zoo Hooft, in zijn Drostschap een voorname Piet. Hooft, de kleurige koesteraar van het bezonnen woord. Als mozaïek zoo fijntjes, legt hij zijn taalwerk in. Alle klank-elementen verzorgd en gevijld en bekoesterd met de zoetste gevoelens van zijn technisch bewustzijn. Niet een loos spel was voor hem keer-rijm en paar-rijm, gebroken-rijm en slag-rijm. Hij leefde in zijn techniek.
Zelfs zijn Granida is een verfijning van de eenvoudigheids-instincten der landspelen. Hooft is de mandoline-achtige melodist van het zoete, zoetjes-sleepende, dans-zweverige vers.... Hij werkt met lokkende klank-kleur-schakeeringen en met klank-elementen in rijm en beeld die verbluffen. Zwierige en wiegelende charme, en
1 Dit is psychologisch volstrekt niet in strijd b. v. met de matelooze onoorspronkelijkheid van zijn Spaansche Brabander, wat de stof-gapperij en de uitwerking der figuren betreft. Zou afzonderlijke toelichting eischen.