MODERNE ZIEL EN OUD INSTRUMENT 177
zien gebruikt voor zeer individueele visies en ontroeringen. Ziedaar al één zonderlingheid, geboren uit de bastaardij van vorm en gevoel. Want hoe fijn en heimelijk ook verdekt en verborgen met zeer gladde en iele techniek in den schijn-naïeven klank van woord, rijm en beeld; voor den muzikaal-luisterende is het bij één couplet al te onthullen.
Als we Breêroo lezen dan ondergaan we dadelijk de heerlijke bekoring van zijn, in schilder-trant vaak uitgewerkte, gegroepeerde en glanzend-belichte tafereelen.
Zijn taal is door smijdigheid en mildheid, door glans en weerschijn als een fonkelend zonnelicht-spel op kristal van roemers en bo-calen. Die man is een zoon van de gouden eeuw. Alles fonkelt aan hem. En toch is er zoo'n tragische bezinning soms tusschen zijn driesten, schellen jubel. Achter zijn schuimenden roemer treurt vaak de ineengezonkene, in wien de smart van het afgewezen minnaarsschap knaagt. Dan is hij verdoofd onder het taveern-rumoer en hoort hij het vertier en klakkerend geraas op de kroegbanken en stoepen als een verwildering van malle menschen om hem heen. Dan plöts schiet hem heete leut-drift in den joligen kop, breekt hij los in zijn zwierigste pronkerigheid, staakt hij zijn verliefd gegluur naar de blanke
Studiën. !2