176 STUDIËN
taal, van de primitieven, wijdbeens over naar de Hooftiaansche periode, koestert zich in den gloed der sensueele en speelsche woordkunst van een geheel nieuwe literatuur. Nu ziet hij wolkenspel bezwalkt door aanvallig licht en blonde schijnsels die zijn gretige oogen gaan verschalken. Dan ziet hij geheel modern, rivieren die haar glanzende wateren doen beven onder de helle klaarheid van een doorluchtig vuur. Zeer vreemd lijkt nu het volgende. De visie in Van den Oever's gedichten is vaak modern, gevoelig, eigendom van een dichter, ópgegroeid met een ontroe-rings-sentiment voor vele soorten en elementen in het schoonheids-gewaarworden, gansche-lijk vreemd aan den taalvorm, het woordmateriaal waar hij zich zoo zwierig van bedient. Maar het is alles zoo kunstig en voornaam technisch door-eengemengd, dat ge, indien ge de vers-melodie niet bij iederen klank-interval heel nauwkeurig beluistert, — het nauw merken zoudt. — Beluister echter toonhoogte, daling en stijging der woorden en hun klank-samensmelting, en ge merkt dra hoezeer de moderneling hier zich ingeperst heeft niet alleen tot ouderwetsch vorm-beelden, maar ook tot schijn-naïef, argeloos voelen. Vreemd is het b. v. de middeneeuwsche uitdruk-kings-middelen, die zoo zeer vastgegroeid waren met het gemeenschappelijk geloofs- en ontroeringsleven van een gansche volkeren-massa, nu te