MODERNE ZIEL EN OUD INSTRUMENT 175
niet alleen de voorname en uitlokkende woordzwierigheid, het fijne, fonkelende amoureuze en soms vervrouwelijkte vernuft van den Drost, hooren wij niet alleen het weelderige geluid en het rhythme der renaissance-dichters, uitgebroed in gouden geluk van een overmoedigen, roern-ruchtigen tijd. We gaan terug tot de dertiende eeuw, tot Van Maerlant, in zijn verchristelijking der liefdes-ontroeringen. We hooren de klanken der veertiende eeuw, het gedempte, bijna schuw-sobere der kloosterachtige Ruysbroeck'sche prevelingen. Wij ervaren hoezeer Karei van den Oever zich uit het fijngeurige en fijn-vormige van het överweelderig geschakeerd renaissance-woord telkens poogt te versoberen tot een Ruysbroecksch zins-bewegen, door een verinnerlijking van het rhythmus, en een verplechtiging van mystische wendingen. De heele stoet der geestelijke poëeten is door zijn dweperige ziel heengeschreden; hun stichtelijkheid heeft zijn levensadem beklemd. Hij klaagt en zucht en smacht als zij. De geest van Thomas a Kempis en Hendrik Mande spookt voor zijn verontruste verbeelding. Hij kermt soms als een verliefde pauw, terwijl hij, fijn-vroom, met het heilige schuilevinkje speelt. Alleen de rederijkers schijnt hij in zijn teruggang naar geestelijk leven geschuwd te hebben. Want van al zijn dooreengemengde beelden en klanken uit vorige eeuwen, stapt hij, in de techniek zijner