174 STUDIËN
waarin het smetteloos-menschelijke en onbedorven taalmateriaal tot meer bewuste woordkunst zal overgaan. Dit vond natuurlijk niet plaats als een geheel geordende overdracht van den eenen geestelijken levensstaat naar den andere. Maar de rederijkers waren meestal verdorde technici-rijmzoekers en opzettelijke ver-nuftelingen naast de milde en spontane naturen der middeneeuwers en ook naast de renaissance-werkers, verfijnde woordkunstenaars als Breêroo, Hooft, die de gouden glanzingen van het bewerkte en geslepen woord laten uitspiegelen boven het gewemel van heel een volk, dat nauw de schoonheid er van zich bewust wordt. En nu spring ik dadelijk even naar onzen grooten Hooft, wijl deze dichter Karei van den Oever in zijn ,,Maen-rijmen" bijzonderlijk schijnt geïnspireerd te hebben in plastiek en beeldvorming. Ook Vondel, de bazuinzanger, maar die was hem te geweldig van zwaai en zwier, te oningetogen; die was hem te hevig pronker met en te breed heerscher over het zwaar-lyrische woord, die was hem te luidruchtige dweper en hater van het on-goddelijke. Hooft, de Italiaansch-wereldsche, en toch de man der gracie; Hooft, de man der schalksche minneliedjes, zoo zoet in zijn rhythme, zoo bevallig-melodisch in zijn rijm, en zoo schelmsch-vernuftspitsig in zijn vlugge tafreeleeringen. In het werk van Karei van den Oever zien wij echter