172 STUDIËN
liefde voor God en kerkleer, schoon frank en vaak manmoedig verderf erkennend. Natuurlijk smoorde hij, dogmatisch-katholiek, in zich een wijder-grijpend verzet, dat ook de metaphysiek der kerkleer en haar beginselen zou aanranden. Zoodat hij, bij zijn sociaal geeselen van wanschapelijk-heden, zich niettemin klein kromp voor de kerk en haar gezag. Maar Van Maerlant's taal is van een heerlijk-echt lévend mensch, met eigen vreugde en eigen smart. Zijn taal is wild en toch gebonden, soms koortsig van vurigheid, echt midden-eeuwsch doordweept van felle vlagen godvruchtigheid. Plots geeft hij u een verrassend spel van klankschoone vers-melodie; een melodie die echter ons modern begrip ervan tot caricatuur maakt. Haar rhythmiek heeft iets gregoriaansch, haar inhoud is vercieringloos, in tegenstelling juist met de minstreel-melodiek, die vaak in wulpsche, weeke hartstochtelijkheid verloopt. — Zoo, in deze oude taal, leeft Van Maerlant ten voeten uit; voelt ge het kloeke, strakke, soms vergrimmigde innerlijk, in al zijn woord-omwendingen, van den innig-geloovige, onderworpene, é.an, die toch telkens zich herwint in eigen ontroeringen, met vurige drift dan los-stormt op het tijdleven en zijn nijpende ongerechtigheden. Ge voelt het in iederen regel,.... deze taal en beeldvorming is met zeden, tijd en omgeving lévend meegegroeid. Die taal is naief en borstelig, sober-