MODERNE ZIEL EN OUD INSTRUMENT 171
te berde brengen. Want dit gerijm enkel voor kunstig gesnap van een handig technicus uit te maken. .. ., ik vermag en wil het niet. In hoever is het mogelijk, een door tijd en psychische onvatbaarheid uitgeleefd vorm- en taalgebruik, opnieuw weer als een lévende uiting van kunstschoon in te voeren, als iets individueels, en zijn oorsprong krijgend in de ontroeringen van den modernen mensch zélf? —
Toen de vurige en heel het geestelijk leven van zijn tijd aanklampende Jacob van Maerlant in de eerste woelingen der middeneeuwen, door zijn onbewust-democratische instincten aangedreven, op hardzinnige, soms zelfs revolutionaire manier den adel striemde en lijfeigenschap ömmokerde met zijn verachtend woord, en in zijn begripsbepalingen omtrent het wezen van het privaat bezit, al een schoone schranderheid in sociale onderscheidingen vertoonde, — toen was de strophische bekoring van zijn vers, een organische, opgebloeid uit zijn tijd. Toen was zijn taal, zijn uiting ingedrenkt in de atmosfeer van de middeneeuwen. Ze leefden in het licht, de kleur, den omgroei van het dertiende-eeuwsch-gebeuren. Geur en bloei van dezen geheimzinnig-duisterenden en vroom-lichtenden tijd, ving zijn woord. Zoo was ook zijn ziel vroom in zijn Wapene Martijn, in zijn liefde voor den simpelen dorper, in zijn