68 STUDIËN
Het: ,,gelijk in ochtendheesters" enz., is als vergelijking dwaas, onecht, maar als beeld-op-zich-zelf mooi en fijn-teekenend. Zoo gaat het om-en-om in zijn werk, tusschen rhetorisch, bijna fatterig woordgepronk, koude vernuftig-hedens en gezochte details-uitspinsels, plastiek en woordkunstig schoon van hoogen rang; naast floretterig-coquet-schermspel van looze gestes, doelrijke beweging, gevoelens-kruimige en warm-menschelijke taal; naast wuft-cynische aanstellerij, ontroerende levenstrilling; naast opzichtige en luidruchtige kleurigheid, ingehouden licht en schaduw-donkering. Ik zou u heel dat stijlmengsel, bij brokken dan ontleed, dan onaangeraakt, willen laten bezien en beluisteren, om u vooral te doen gevoelen hoe schitterend hij soms schrijft, ook al heeft hij de waarschuwing van Epicures tot zich te nemen: ,,het kinderspel, in het zoeken naar welluidendheid van woordenklank moet men van zich wijzen; terwijl het om bijzaken wordt bewonderd, gaat de hoofdzaak te loor." Dat komt weer uit in zijn zonlichtbeschrijvingen. Telkens, op eensoortige wijze, laat hij de zon zélf „plassen," „vallen," „plonsen," „vlekken," „rusten," „flikkeren." Op pag. 25
----een zot-gesystematiseer van haar lichtspel.
Op. pag. 33 „stort," „bekletst," ze weer; op 37 „stippelt," ze. Op. 36 „leutert" en „spettert" ze. Op 64 „beschildert" ze. Heel knoeierig en slecht