HET IVOREN AAPJE 169
zwaar en licht, die door ziekelijke hyper-cultuur zich den spitsigen geest heeft aangescherpt voor allerlei soorten gedachten-vernuftigheid, er alles aan wagend.... ook zijn hart. Maar stellig, Teir-linck geeft meer dan alleen decoratie en lokkende vercieringen. Wilt ge bijgeval mij nu vragen, na al zijn gezochte keurighedens en oratorische schermutselingen te hebben aangeduid, ,,maar waarin bestaat dan zijn soms heerlijke gevoeligheid waarvan ge repte," dan antwoord ik vrij en rustig: ,,O, die vindt ge in dit boek hoe vluchtig ook, bijna op iedere pagina.... in de taal, den vormbouw, de atmosfeer-weving van 't woord. In de schijnbaar kleinste opmerkinkjes. 't Zijn bijna steeds dingen van nuancen, van tint, van heerlijke fijnheid. Ge moet beseffen, hoeveel ruimte, diepte en leven een beeldend woord om u heen kan brengen. Zoo iets schrijft hij b. v. over den mond van een jeugdmeisje: ,,de lippen waren niet geheel dicht en het leven luwde er zoetekens over." Dat ,,luwde" en ,,zoetekens" zijn hier, in zachten cadans bijeen, verrukkelijkheden. Van zulke fijnheden wemelt het boek. Niet altijd lukken de vergelijkingen. Zoo iets:
„De geur schoot, docht het haar, tot binnen in hare hersens, zoodat hare kleine gedachtjes nevens een zeer duidelijk te voorschijn op wipten, gelijk soms in ochtendheesters wanneer 't gewaai van zonnelicht den nacht verdrijft, schoon zichtbaar de verscheidene vogeltjes joegen, elk naar eigen gedoe"...