HET IVOREN AAPJE 167
van een eigen geest in zijn menschen, haalt Teirlinck op geen duizendsten graad. Lieven Lazare, de groote pamflettist, is uitsluitend van buitenaf getypeerd. Dat gaat waarlijk over te hooge schoenen. Zoo geteekend is hij een paskwil, een becaricatureerde caricatuur geworden. Simon Peter,.... ach, daar moesten we maar heelemaal van zwijgen. Van deze pracht-persoon-lijkheid heeft hij, door zijn nu en dan troebel woord-snobisme niets dan een schimmigen leuterhans gemaakt. Hoe ver ligt de beelding van een zoo zuivere eenvoudsziel wel buiten zijn macht? Een psychologie van de nachtschuit. Met Simon Peter is de heele achtergronds-beweging van het Belgische volksgebeuren mislukt, warrelig-onvast en dansend-licht-vlekkerig weergegeven als een slecht-werkende bioscoop-plaat. Daar is alles zonder structuur en opbouw. Hoe hoog en breed en groot-episch omspannend wou Teirlinck niet rond zich grijpen. In dezen eenen mudvollen roman, wemelend van figuren, doorregen van een tienvoudige intrigue, wou hij nog gretig saamdringen het tafreel van een sociaal-revolu-tionnaire beweging met Pezza en Peter als hoofdfiguren. Hoe grof-dilettantisch is er dat leven doorheen geknoeid, hoe naargeestig en kleumerig is er dat alles gaan uitzien. Deze man, die soms zingt als een lijster, is hier gaan stotteren als een nerveuze raaf. Dacht hij zich geroepen dit alles