164 STUDIËN
uit het gevoels-verbeeldende leven. Bij Teirlinck blijft de persoon een abstractie, een wellustigheidsvoorstelling, met verstandelijke diagnose genaderd. De echtheid van den doods-lach nagepenseeld met ontroeringlooze oogen. Hoe hérleeft hij zinnig, bloo en diep in de rijk-rustige figuur van pastoor Doening. Die leefde inderdaad naar het gebod van zijn menschelijk instinct. Ook in dit wezen werkt hij nu en dan te veel met de streelingen van zijn verfijningswoord. Op pag. 60, die ,,ijs-heldere fonteinen zijner aandoeningen," en zooveel, zoovéél gekunstelds meer, — maar het verhaal van Renildeken is een innige, heerlijke, zuivere gevoeligheid, onbesmet van zwoelte. En ook zelfs in het ijdel en cierlijk gepraat, waarin pastoor Doening zich nu en dan verliest, gelijkt hij Teirlinck.
De vrouwenfiguren Francine, Vere, Milly D'Orval, zijn niet individueel gezien. Ze steunen tegen zijn welsprekendheid aan. Ook die missen innerlijkheid. Ik zou dit alles breed-analytisch willen uitwerken, indien ik er ruimte voor kreeg. Francine, het vertroetel-wicht je, met broze woordjes omhangen, vaak ergerlijk rhetorisch, verzoet, verluiïgd, is zonder lijnen neergezet. Vere is hier en daar dramatisch-zuiver maar in het geheel, ouderwetsch-romantisch versmart in liefde-duffige aanhankelijkheid. Milly is een beetjebeblazendoor Maupassant. Maar diens snijdende instempeling