HET IVOREN AAPJE 165
dekking, die hij daar deed. Van Ernest zag hij de dof-ronkende vreeze en den ontredderden wil. Ernest was vaak, in de algemeens modulatie, een mistige grondtoon, laag zwevend over orgelende klankslingeringen, angstig gelijk een ruchtige nacht. Rupert had, binst de bewerking van zijne geneugten, het zicht noodig van dat bleek voorhoofd, van die verdraaide oogen, van den natten, diklippigen mond. Hij gebruikte die ordeloosheid van bevangen ledematen, die onmaat van gedachten, die aanhitsende ontsteltenis."
Geen commentaar! Ook zonder ontleding voelt ge hier 't weeke gif van dit zinnelijke proza, dat zich in zijn eigen onsaamgedrongenheid krachteloos verlept.
Een staal der handboeken-psychiatrie b. v. hierin:
„Wat hij er thans wilde mee bereiken, was, in de hersens van Francine, eene eigenaardige bedwelming, een physieken wellust, die niet geheel in bloote zinnelijkheid zou overslaan en ook niet vast in den geest mocht ankeren. Hij bereidde haar geduldig voor vreemde gzvra&Twordingen, voor onbekende duizelingen, voor een spel van blonde neven-tinten op eene teerdissonante zinnen-muziek."
Ook ddt is gevlekt door een literairen uitslag.
Deze gansche figuur lag vèr boven de kracht van Teirlinck, ook als romanticus. Rupert Sörge is niet mislukt wijl hij geen z. g. reëele figuur, maar wijl hij ook niet met de gevoelsverbeelding doorleefd is. Der verbeelding ontbreekt realiteit, der realiteit verbeelding. Ook groote werkers kunnen zoo'n pervers schepsel creëeren, maar dan