162 STUDIËN
hij Rupert een Hieronymus Bosch-gedrochtelijkheid, minder koud-strak, fanatisch-daemonolo-gisch, maar toch den geest doorstookt van een diablerie-ruchtigheid, die in dezen Hongaar verontrust, als een steek-wesp op 't weeke neusje van een zuigeling. Er ontbreken visioenen van paardenvliegen en cauchemarische muskieten, naast de schorpioenen, vreeselijke insecten, geschubde beesten en gehoornde demonen, waarmee Jerome Bosch zijn verbeeldingswereld bevolkt.
Hieronder citeer ik een brokje, waarin ik de cursieven aanbreng, om u te doen gevoelen, hoe wulpsch en wellustig van woord, overvol en smakeloos-lawaaiig hij zelf wordt in zijn beelding, wanneer het Rupert geldt:
״Hij herdronk, lui-zinnelijk, den wijn die in donzige blosjes op hare wangen kwam kleuren. Hij maakte zelf al zijne aandoeningen en genoot nauwkeurig ervan. De valschheid van dezen vierdubbelen toestand jeukte over zijn ruggegraat en 't werd hem als eene onduidelijke symphonie, vol wulpsche toon-verschrikkingen, klanken beneveld in lichtpoeier, die aantokkelen rond hem, lichtgewiekt, en even, haast ontastbaar, hunne klinkuleugels lieten kriebelen op zijne huid. Hij voelde het delikate ruischgewaai, de haartjes van zijne hand opstreuvelen, en 't was gestadig, bij elke inkomende gewaarwording, eene huivering door zijn bloed, een schok, in zijn subtiel vleesch, van blije verwondering, van onnoembaar genot."
En dan dit:
״Zijn scherp gepeins drong tot in de ziel van zijne ge-nooten. Hij dichtte drievormige akkoorden met iedere ont-