160 STUDIËN
uit, gebruikt. Al daarin is de verwantschappelijke zinnesfeer van Teirlinck en Rupert te herkennen. Gelukkig echter blijft het een woordenroes. Ge komt niet achter, in dezen man, wijl hij geen mensch is. De fijnkundige woord-werkingen als taal-muziek hebben alleen waarde, niet de men-schelijke psychologie die er mee moet worden gekenmerkt. Het taalvernuft geeft zich over aan eindelooze uitspinningen van uitgedachte sensaties. En toch nergens kunt ge in hem tasten. Ge voelt het menschelijke niet van dit z. g. onmensch. Het is een vertoog, van vaak prachtige woorden en wiegelende zinnen. Ge ziet vóór u, een tuin met bloemkleurig gewemel. Maar tast ge toé naar een bloem, dan valt ze om. Het is opgezet, kunstmatig mooi. Geen stengel wortelt in de levende aarde. Dat was werk voor den grooten Dostojewsky. Die kon een zoo fel demonisch, zinnelijk-misdadig ingulzigen van jong meisjesleven, moorddriftig in koelen waanzin, beelden.
Niet Teirlinck met zijn poovere psychologie, zijn rammelende personendrukte zonder groe-peeringsmacht, zonder epischen gang en levenswenteling. Vanzelve wordt zoo iets in hem, na een koortsige taai-opwinding in de elementaire aanduiding van een dergelijk karakter-innerlijk, een voortbrengsel vankoud-combineerend schrijf vermogen, dat geheel buiten de ontroering om tiert.