158 STUDIËN
aan zijn satanische zinnegenietingen, die ook alweer vertoogerig staan aangeduid, maar u als levende, wroetelende driften van perverse instincten en erotische wreedaardigheden nergens trillend zijn voor de oogen gezet, als een exotisch vuur van wild genot. Rupert Sörge draagt altijd in zijn vestzak een klein aapje van ivoor gesneden, dat hij met een soort zinlijke verrukking immer betast. Deze fijn-zinlijke betastingen wekken in hem een bijzonder verbeeldingsleven, ze scheppen hem ,,een wereld van beelden en zeldzame beeldenwisseling." Van Francine Verlat wil hij een levend ivoor-aapje maken. Hij zal haar trouwen, maar Milly D'Orval staat hem nog in den weg. Toch maakt hij zich van haar los, maar ook weer psychologisch geheel־ onmooglijk te begrijpen en van truc oud-romantisch. Teirlinck geeft zijn held een draai, en 't gansche geval zweeft buiten iedere psychologische werkelijkheid. Rupert zegt n. 1. tot Milly D'Orval: Zeker, wind je niet op, ik ga trouwen, maar niet eerder of jij moet me verlaten hebben. Iedere andere vrouw, zich zóó herwinnend onder het gedrag van Rupert, dat ze hem bekijkt in heel zijn ,,satanisme" zou óók doorzien dat dit een machts-suggestie wordt. Ze zou zich liever het hart uit het lijf scheuren dan van hem af gaan. Maar dat zou de Monte Christo-achtige bekoringskracht van den betoove-renden, geheimzinnig-duelleerenden, dan hier dan