HET IVOREN AAPJE 159
deze Hongaar óp uit Nizza en vestigt zich te Brussel. Hij leeft daar met Milly D'Orval... .een meisje uit een Fransche bar opgefokt, van ״on-gemeene schoonheid." Hij speelt met haar. Met sluwe wellustigheid volgt hij ieder teeken van haar liefde en zooals men al meer en meer de koorden van een harp zou spannen om al scherper en gevaarlijker klanken te winnen, zoo wrong en neep hij en betokkelde al de snaren van haar bloote ziel. Zij werd geheel zijn goed, zijn bezit, met al de roerselen van haar instinct hem bekend. Maar van deze vrouw wil hij af. Hij begeert de jonge, teedre Francine Verlat, zuster van Ernest. Nu begint het psychologisch spel. Maar ge merkt er geen zier diepte in. Ge hoort wel met eindelooze hoeveelheid woorden van zijn geheimzinnig, suggestief gedoe, maar ge voelt niet dat het levende menschen kan grijpen, omdat het zoo oppervlakkig is. Ge merkt wel, dat Francine Verlat door hem overrompeld wordt, omdat het er staat, maar alweer, gij begrijpt niet waarom. Teirlinck laat het wel zoo gebeuren, maar de drijfveeren, het diepere stuwen van deze geheime zielsmacht ziet ge niet werken en daarom verbaast het u dat zoo'n Francine van een groote struische figuur, die op haar verliefd is en zij ook eerst op hem, Simon Peter, door het gedoe van dien Sörge kan worden afgegoocheld, tot een levend ivoren aapje verwrongen, geheel geofferd als prooi