156 STUDIËN
ik niet meer ruik, hoor, zie, tast. Alsof ik tegen een killen panorama-wand aanstoot, een leege, vale, akelige, luchtlooze diepte. Ziedaar nu, bij benadering, het gevoel dat een boek geeft mèt en een zónder atmosfeer. Zoo atmosfeerloos sta ik tegen dien Rupert Sörge aan te kijken. Voor mij is deze Rupert een voortbrengsel, niet van de verbeelding, maar van en geïnspireerd öp literatuur. Hij is een Übermensch, een handje Nietzsche, een handje Baudelaire, 'n handje Teirlinck zelf. Het is een boulevard-miskraam van Fransche perversie. Ik zie er Teirlinck in, Parijzerig flaneeren, met veel woordbranie zijn Vlaamsch mooi, sterk zon-gevoel verduisterend. Het is kaaswinkel-lucht, en broeiende zomerstank saam-geperst in een veldlfesch. Zooals ook pastoor Pezza een krantenknipsel is tot journalistieke criminaliteit verfrommeld en met vernufts-fantasie opgevuld.
Om den jongen Hongaar is geen atmosfeer. Hij is inderdaad een ,,literair betrachte" mensche-lijkheid, een vervoosde verbeeldingsvrucht op z. g. werkelijkheid getoetst. De vernuftigheid waarmee deze menschenziel is geconstrueerd pleit wel voor Teirlinck's knapheid, maar tegen zijn psychologische beeldingskracht. Ze is kil, koud, berekend-nuchter. Belachelijk zijn de inleidende aanduidingen van zijn figuur. Na ,,geheimzinnige" verwisselingen van duels, duikt