HET IVOREN AAPJE 157
storten, het groote, roerige, luidklinkende leven van de stad. Ik moet dat leven, die wilde en massale roerigheid en wemeling, ruiken, zien, hooren. Ik wil in de atmosfeer der dingen tasten met al mijn verlangende zinnen. Ik zie de kleuren vóór mij, in dezen stads-haard van den zomernoen, trillen en gloeien. Ik zie de vochtigheid van het licht, en óm de menschen, dieren en dingen een beving van bestaan, een luchtvol-beweeg, een iets dat niet afzonderlijk te grijpen, en toch door alles heengedrenkt is.
We noemen het: atmosfeer. Ik zie in de diepte en ze weeft en webt; ik zie in de verte en ze nevelt en poeiert tonig rond. Ik zie dichtbij en veraf.... ze is er altijd. Ze doet me den geur van het water ruiken, zilt of stadsluchterig. Ze laat me het rhythme van ieder ding apart, en van hun dreun tezaam hooren. Dat is de ondefinieerbare werking van de atmosfeer. Alle sensaties van geur, geluid, klank, kleur, licht, toon, tint, alle roeringen van het voorbijtrekkende leven moeten tot mijn vangende zintuigen ingaan, en daar in één brandpunt van verhoogde aandacht saamkomen. En wat is nu iets zonder atmosfeer? Als ik op dienzelfden zomernoen het donkere station uitstap, en ik zie de dingen om me heen als op een plaatje. Alles koud, hard, vochteloos, zonder leef-rilling, zonder geur en glans, geen verte en geen ruimte. Alsof al mijn zintuigen verstopt zijn, alsof