HET IVOREN AAPJE 153
menschelijk kreetje roert ons oor. Romantruckig en valsch is al dadelijk het begin. Ernest beschouwt zijn doode moeder. Op pag. 4 laat Teirlinck nu plotseling, geheel novellistisch-geordend en retrospectief, zijn heel leven voor hem opduiken. Stel je voor, een zóó verdroefd wezen die zoo precies in vakjes en gangetjes zijn vroeger leven af denkt op dat moment van smart. De novellist wou ons natuurlijk be-overzichtigen. Maar hoe hulpeloos en hoe dwaas voor dien theatraal mijmerenden Ernest. Ook in zijn woorden, uitingen en handelingen tegenover Vere is hij zwak gebeeld. Ik bedoel niet zwak, wijl hij een zwakkeling is, maar het zwakke is zwak geschetst. Vooral bij het doodsbed van Vere ontkurkt hij zijn salmiaktragiek, zijn tranen-roerende, tranen-lokkende, tranen-uitpersende afscheidsscène. Teirlinck zelf schrijft naïevelijk-subjectief, uit den objectieven verhaaltoon vallend: ,,Geen grootschheid reikte ooit zoo verre als de sublieme eenvoud van deze stervende vrouw."
Deze rhetorische suggestie zal zeker een bepaalde werking hebben op gevoelige lezers. Ik vind ze wee, oud-romantisch en valsch-opdringerig.
Dezelfde stervende Vere is op haar doodsbed ook nog roerend welsprekend en beeldend: „Het (leven) heeft groote schaduwen tusschen ons geworpen, en wij hebben geweend en geleden, elk van onzen kant"..... „uw hart raakt het