HET IVOREN AAPJE 153
is lenig, weelderig, sappig, soms zwaar van klank, soms geruchteloos voorbijzwevend, zoo ijl en fijn. Zijn techniek is kostbaar en ambachtelijk schoon, en waar de verfijning in dezen veriatijnschten Vlaming écht is, geeft zij ook een fijne genieting, is zij een ware delicatesse. Dan lijkt zijn taal op de muziek van Claude de Bussy, narcotisch en droomerig, broos en zangerig en toch zoo exotisch, zoo decadent, zoo wrang-zoet en wellustig, veronheimelijkt door een wegkwijnenden weedom, en verzot op fijne huiveringen. En dat bij den man die met gretig-coloristische drift het zonne-vuur in al zijn spelingen onvermoeid beschrijft.
Een werk als Het Ivoren Aapje, moest eigenlijk van allen kant kunnen worden bezien. Men zou afzonderlijk nemen: de compositie, den stijl in al zijn onderdeelen: beschrijving, dramatiseering, lyriek; de plastiek en persoonsbeelding; de taal in haar woordkunstigen opbouw, den invloed waaronder het boek gegroeid is. Helaas moeten wij ons beperken tot enkele dingen; uit den overvollen personen-roman behandelen we slechts eenige hoofd- en bijfiguren, en grijpen daarin den verhaalgang met intrige mee, — voor zoover deze niet al te capriolerig lijkt. Daar is dan Ernest Verlat, een weeldejongen, zoon van mevrouw Chanteraine, voor de tweede maal gehuwd. Hij is een soort comediant-in-'t-leven,