HET IVOREN AAPJE 147
knetteren in de warme omhulling van ziel, gevoel, ontroering, in een uitstrooming en brand van het hart. Het gevoels-vernuft is nog iets méér dan vuurketsen van steen en zwam, van spot tegen geest, waaruit de kwinkslag en de koude scherts vonken. Dat vernuft steekt niet met honderd angels van zuur venijn, van wondenden spot in 't vleesch. Wel gonst het dreigend om je heen, als omzwierf je een bijenwolk. Maar dreigen is 't gevoels-vernuft voldoende. Het grijpt veel guller naar het groote leven, het veracht de gniepige piekjes der klein-stekeligheid. Het gevoels-vernuft is doorzwollen van hartstocht; het is gestuwd door en kijkt altijd om naar de ziel. Het is sterk, gezond-wrang, kernzuiver, manhaftig, koen van vinding, soms epigram-matisch-stug en saamgedrongen van taal. Maar bijna immer van een onnabootsbare humoristieke beeldenrijkheid. Er is niets aangeleerds en systematisch in. Zijn kleur, zijn vorm, zijn fonkeling zijn in den stijl van het ziels-innige geschapen. Zijn innerlijkste werking is het mènschelijke, en de verdoken smart. Terwijl het gedachten-vernuft eigen kwellingen schijn-luchtig belacht met een zure sneer op de lippen, schamper en raspig, gaat het gevoels-vernuft in op het alge-meene, zonder persoonlijke gekrenktheid. Het blaast óók bolwerken van meel weg; 't verwijst ook branie-vulkanen naar de water-en-vuur-toon-